Recent

januari 2019. Congresverslag in SDU Magazine klik hier.

september 2018. Publicatie in SDU Magazine klik hier. 

26 september 2017. Reactie op artikel in “Tandartspraktijk” editie september 2017.

Geachte hoofdredacteur van Tandartspraktijk, geachte heer van Pelt,
Graag reageer ik op het artikel ‘Zin en onzin van rö-fotos bij jeugdigen van collega dr. Dien Gambon in ‘Tandartspraktijk’ editie september 2017
Met genoegen las ik het artikel van collega Gambon. Zij gaat in het artikel in op het actuele thema van de rechtvaardiging van röntgenopnamen en dan met name op haar expertisegebied, dat van de pedodontologie. Verzekeraars en Inspectie trekken zijn tegenwoordig alert op de indicatiestelling van met name panorama opnamen. Collega Gambon illustreert ongerechtvaardigde röntgendiagnostiek met een aantal instructieve  cases.
Op twee punten denk ik dat een voor uw lezers waardevolle aanvulling op het artikel op zijn plaats is. De eerste is dat, in tegenstelling tot het in het artikel beweerde, voor het maken van bitewings geen klinische symptomen voorhanden hoeven zijn. Beginnende approximale cariës is immers niet klinisch detecteerbaar, daarvoor maak je juist bitewings. Het aanhouden van de intervallen gebaseerd op cariës-risico-inschatting zoals die in de Europese richtlijnen staat is raadzaam. (zie tabel 1 , gebaseerd op aanbevelingen volgens EU-richtlijn Radiation Protection 136European guidelines on radiation protection in dental radiology. The safe use of radiographs in dental practice’)
De andere opmerking is dat waar collega Gambon aangeeft dat halfjaarlijkse panorama opnamen uit den boze zijn (bij kinderen maar ook bij volwassenen overigens) de lezer zou kunnen denken dat een langer interval wel adequaat zou kunnen zijn. Dat is niet het geval. De rechtvaardiging van een panorama opname zal altijd op basis van een klinische verdenking of klinische vraagstelling zijn. Hiermee vervalt iedere grond voor het maken van panorama-opnamen met welk interval dan ook. Ook het standaard maken van een panorama-opname bij iedere nieuwe patiënt is hierdoor niet gerechtvaardigd.

Erwin Berkhout
voorzitter Ned. Vereniging voor DentoMaxilloFaciale Radiologie (NVDMFR) voorzitter sectie Orale Radiologie, ACTA

 BW interval Cariësrisico
hoog middel laag
jeugd 6 mnd 12 mnd 12-18 mnd (melk) 24 mnd (permanent)
volwassenen 6 mnd 12 mnd 24 mnd

Tabel 1: aanbevelingen interval bitewings volgens EU richtlijn op basis van cariësrisico

11 april 2017Röntgenfoto’s maken: de IGZ onderzoekt of de sector mondzorg voldoet aan de geldende regels voor röntgenfoto’s .
De sector mondzorg maakt per jaar tussen de 7 en 9 miljoen röntgenfoto’s. Om deze te mogen maken, moet men voldoen aan wet- en regelgeving, bestaande uit: de…

7 maart 2017. Standpunt NVDMFR inzake Taakherschikking.
Schrijven aan Directeur Macro-economische Vraagstukken en Arbeidsmarkt.

Afgelopen vrijdag 3 maart heeft de Nederlandse Vereniging voor DentoMaxilloFaciale Radiologie (NVDMFR) in Amsterdam haar oprichtingscongres gehouden.

De vereniging stelt zich tot doel wetenschappelijke en praktische kennis omtrent tandheelkundige en maxillo-faciale radiologie, beeldvorming, diagnostiek en stralenbescherming te bevorderen, te verbreiden en in het tandheelkundig werkveld te integreren.

Twee belangrijke doelstellingen van onze vereniging zijn het bieden van inhoudelijke ondersteuning aan aanbieders van scholing op het terrein van de tandheelkundige radiologie in breedste zin en het geven van gevraagde en ongevraagde adviezen aan partijen die betrokken zijn bij de gezondheidszorg.

Op 15 maart staat het overleg met en over de opleidingen tandheelkunde en mondzorgkunde  in de context van de voorgenomen taakherschikking op de agenda van het ministerie van VWS. De NVDMFR geeft graag haar (ongevraagde) advies over dit voornemen dat onder meer de functioneel zelfstandige indicatiestelling van röntgenopnamen door mondhygiënisten beoogt.

Het is opmerkelijk dat u in het aanstaande overleg met vertegenwoordigers van de opleidingen een vergelijking aan de orde wilt stellen van het onderwijs aan tandartsen en aan mondhygiënisten aangaande een beperkt aantal ‘’handelingen’’ o.a. op het gebied van de tandheelkundige radiologie. Naar onze overtuiging is dat een ondeugdelijke benadering van het vraagstuk rondom de bevoegdheden met betrekking tot de tandheelkundige radiologie. Het uitvoeren van handelingen staat niet ter discussie en wordt als zodanig aan tandartsen en mondhygiënisten onderwezen. Wat ter discussie staat is of de mondhygiënist is toegerust om de indicatiestelling (een voorbehouden handeling) zelfstandig uit te voeren. Indicatiestelling, of het nu gaat om cariës behandelen, anesthesie geven of röntgenfoto’s maken, vergt een veel breder denkraam dan naar voren komt uit een vergelijk op het zoekwoord ‘’indicatiestelling’’. Onderwerpen als besliskunde, beoordeling van de kwaliteit van diagnostische testen, toepassing van richtlijnen en de korte en lange termijn consequenties van keuzes voor interventies zijn voorbeelden van de uitgebreide context achter het woord ‘‘indicatiestelling’’. Een academisch denkniveau, bleek ook weer tijdens ons congres, is onontbeerlijk om uit de veelheid van gegevens en mogelijkheden de juiste keuze voor inzet van diagnostische middelen te maken en de juiste diagnostische beslissingen te nemen. Het met een te nauwe scope naast elkaar leggen van enkele onderdelen van opleidingen levert per definitie een onjuist en daardoor onbruikbaar beeld op.

Het overleg op 15 maart beoogt onderdelen van opleidingen te vergelijken. Naast het hierboven al genoemde bezwaar lijkt ons dat de uitkomst van deze vergelijking, mede vanuit onze betrokkenheid in het onderwijs, bij voorbaat vaststaat. Namelijk, dat de mondhygiënist niet wordt opgeleid voor taken waartoe zij/hij momenteel niet bevoegd is. Het bevreemd ons dat het ministerie verwacht dat een mondhygiënist wordt opgeleid voor taken die zij niet mag uitvoeren. Daarom kan nu al worden vastgesteld dat mondhygiënisten niet worden opgeleid in de indicatiestelling (in de breedte zoals hiervoor genoemd) van röntgenopnamen en niet worden opgeleid tot stralingshygiënisch geschoold beroepsbeoefenaar. Het implementeren van deze onderdelen zal een aanzienlijke investering in tijd en geld vergen waarbij de vraag dient te worden gesteld of de studeerbaarheid van de HBO-opleiding Mondzorgkunde haalbaar blijft.

Vanuit het perspectief van de mondzorg-patiënt/cliënt nog de volgende opmerking. De patiënt dient beschermt te worden tegen het onnodig blootstellen aan ioniserende straling. Correcte indicatiestelling is daarvoor een absolute vereiste en een randvoorwaarde in het Besluit Stralingsbescherming (rechtvaardiging toepassing ioniserende straling). In een systeem waarin de mondhygiënist een zelfstandige bevoegdheid krijgt tot het maken van röntgenfoto’s zal aan twee belangrijke voorwaarden moeten worden voldaan: (1) de mondhygiënist moet gelijkwaardig aan de tandarts worden opgeleid en (2) er moet geborgd worden dat er niet méér röntgenopnamen worden gemaakt dan in de huidige situatie. Uit onderzoek is bekend dat de beschikbaarheid van (röntgen)apparatuur de neiging geeft tot het gebruik ervan. Juist daarom is de regiefunctie van de tandarts essentieel voor indicatiestelling van röntgenopnamen en interpretatie buiten het kennisgebied van de mondhygiënist.

De huidige onderlinge taakverdeling en afstemming tussen mondhygiënist en tandarts is helder verwoord in het rapport Linschoten, dat destijds door alle partijen in de mondzorg is omarmd en nog steeds deel van het beleid in de mondzorg is. Het lijkt ons dan ook verstandig dat het ministerie dit beleid, dat in het werkveld steeds beter geïmplementeerd raakt, ondersteunt en geen ondoordachte experimenten met de kwaliteit van de zorg en patiëntveiligheid start.

Amsterdam, 7 maart 2017
Namens het bestuur van de NVDMFR
dr. G.C.H. Sanderink, secretaris